Uitspraak klachten­commis­sie over klacht familie omtrent quaran­taine moeder

Geplaatst op 12 april 2021

Een aantal weken geleden was op dit sociaal platform al te lezen dat een bewoner na een ommetje met haar dochter van de zorgorganisatie 10 dagen in quarantaine moest. De familie begreep niet waar dit op gebaseerd was, vroeg zich af of de zware maatregel wel opgelegd mocht worden en diende een klacht in bij de Klachtencommissie Onvrijwillige Zorg (KCOZ). 

Intussen heeft minister Hugo de Jonge in reactie op Kamervragen laten weten dat een dergelijke quarantaineplicht “niet in overeenstemming is met de geldende adviezen”. 

In dit bericht de uitspraak van de klachtencommissie in het kort en een samenvatting met link naar de complete uitspraak. Onderaan het artikel gaan we nog in op rechten van de cliëntenraad, wat een raad kan doen in soortgelijke situaties. De uitspraak van De Jonge en zijn toelichting daarbij is te lezen in zijn antwoord op de Kamervragen van Kamerlid Bergkamp.

Uitspraak in het kort

De klacht gaat over de toepassing van een tijdelijke regel bij het woonzorgcentrum, die inhield dat cliënten van het woonzorgcentrum die niet met corona besmet geweest waren, zich niet buiten het terrein van het woonzorgcentrum mochten begeven. Deden zij dat wel, dan zouden zij bij terugkomst tien dagen in quarantaine moeten. Deze huisregel leidde ertoe dat de moeder van de familie die de klacht indient, verplicht op haar kamer moest blijven voor 10 dagen, nadat zij buiten het terrein van het woonzorgcentrum was geweest.

De vraag die centraal staat in de zaak is of de huisregel die de zorgaanbieder richting cliënt heeft toegepast een (toereikende) juridische basis heeft en/of de Wet Zorg en Dwang (Wzd) van toepassing is (c.q. toegepast had moeten worden). 

De commissie oordeelt dat zij niet bevoegd is om de zaak inhoudelijk te behandelen. De commissie verwijst door naar de klachtencommissie van de Wet Kwaliteit, Klachten en Geschillen in de Zorg (Wkkgz) en heeft enkele verbetersuggesties gegeven. Namelijk het bekijken van de mogelijkheden van maatwerk op individueel niveau, als op individueel niveau geen medewerking aan een maatregel verleend wordt of dreigt te worden. En het wijzen van de bewoners/familie op het gebruik kunnen maken van de mogelijkheden die de Wkkgz biedt wanneer cliënt of diens vertegenwoordiger het niet eens is met een algemene maatregel in verband met (bestrijding/preventie van) corona.

Samenvatting uitspraak

Er is een klacht ingediend door de dochters van een bewoner (moeder) van het woonzorgcentrum over de toepassing van een (tijdelijke) regel bij het woonzorgcentrum. Deze (tijdelijke) regel hield in dat cliënten van het woonzorgcentrum die nog niet met COVID-19 besmet geweest waren, zich niet buiten het terrein van het woonzorgcentrum mochten begeven en anders bij terugkomst tien dagen in quarantaine moesten. De huisregel resulteerde voor de moeder in verplicht verblijf op haar kamer van 26 februari tot 3 maart 2021.

De vraag die centraal staat in deze zaak is of de huisregel die de zorgaanbieder richting cliënt heeft toegepast een (toereikende) juridische basis heeft en/of de Wet Zorg en Dwang (Wzd) van toepassing is c.q. toegepast had moeten worden richting de cliënt. Hierover verschillen partijen van mening. 

De commissie overweegt dat de zorgaanbieder ten tijde van de uitbraak COVID-19 besmettingen in januari op basis van zijn zorgplicht en op basis van de artikel 58o Wpg (Wet publieke gezondheid), maatregelen diende te treffen om deze uitbraak in te dammen. En verdere verspreiding zowel binnen als buiten de woonzorginstelling zoveel mogelijk tegen te gaan. Die maatregelen kunnen veel onderwerpen bevatten zoals de artikelen 58f tot en met 58j Wpg ook aangeven. Daarnaast wordt in de memorie van Toelichting bij de tijdelijke wet COVID 1 ook de Wkkgz genoemd als wettelijke basis voor het treffen van maatregelen door een zorgaanbieder om gezondheidsrisico’s (besmetting met COVID-19) zoveel mogelijk tegen te gaan.

De instelling stelt dat de huisregel/richtlijn waar de klacht zich tegen richt, gehanteerd werd omdat gebleken is dat de coronaregels buiten het terrein niet altijd goed worden nageleefd, waardoor er een reëel en aanzienlijk risico is dat een bewoner besmet terugkeert en daarmee ernstig nadeel voor zichzelf en anderen veroorzaakt. Dit is een begrijpelijke redenering die de commissie ook in lijn acht met de richtlijnen en adviezen van het RIVM en de koepelorganisaties. Ter beoordeling van de commissie staat echter niet de vraag of deze regel een redelijke regel is/was, maar of de wet, en dan met name de Wpg, voldoende wettelijke grondslag biedt om deze regel toe te kunnen passen bij een cliënte/bewoner, wiens vertegenwoordigers zich daar uitdrukkelijk (eerst alleen in woord en later ook in daad) tegen verzetten.

De commissie overweegt dat er in de Wpg niet voorzien is in een algemene bevoegdheid voor zorgaanbieders om collectief en dwingend verdergaande beperkingen van de individuele vrijheden op te leggen dan het in 58f tot en met j Wpg genoemde (zoals bijvoorbeeld het niet mogen verlaten van het terrein of de eigen kamer). In de memorie van toelichting bij de tijdelijke wet COVID (op basis waarvan art. 58o aan de Wpg is toegevoegd) is hierover opgenomen dat zorgaanbieders bij het treffen van maatregelen afhankelijk zijn van de vrijwillige medewerking van de cliënt of cliënt en diens familie en naasten en dat de maatregelen kunnen niet zo ver kunnen gaan dat het bewoners bijvoorbeeld niet wordt toegestaan een zorginstelling te verlaten. Dit kan alleen als bewoners hieraan meewerken.

De commissie oordeelt dan ook dat het verweer van de zorgaanbieder dat er geen sprake is geweest van een vrijheidsbeperking (en dus niet van onvrijwillige zorg), doordat er feitelijk geen kamerdeur of toegangspoort werd afgesloten, juridisch onjuist is. En geeft aan dat de zorgaanbieder hier vrijheidsbeneming (insluiting) en vrijheidsbeperking door elkaar haalt. 

Verder geeft de commissie aan dat in de memorie van toelichting de cliëntenraad op grond van de Wmcz 2018 een instemmingsrecht heeft bij het treffen van dergelijke collectieve maatregelen. Dit is een betekenisvolle factor bij de rechtsbescherming, zo geeft de commissie aan. De zorgaanbieder heeft aangetoond dat deze instemming gegeven is, maar dat deze instemming  niet van een hogere orde is dan een individuele weigering of verzet tegen de maatregel en ook niet hiervoor in de plaats kan worden gesteld. 

De commissie geeft aan dat wanneer er op individueel niveau geen medewerking aan een maatregel verleend wordt of dreigt te worden, de handreiking ‘Bezoekregeling en sociaal contact – corona in verpleeghuizen’ een aantal adviezen geeft om te komen tot maatwerk per bewoner (zie pagina 6 van de handreiking), zoals het inventariseren van de individuele behoefte en dit vastleggen in het zorgplan van de bewoner, het zoeken naar creatieve oplossingen en mogelijkheden om maatwerk te bieden en het voorleggen aan de ethische commissie of het houden van een moreel beraad. Uit de stukken blijkt niet dat deze stappen gezet zijn en dat geeft aan dat hierin een verbeterpunt ligt voor de zorgaanbieder. 

De commissie oordeelt ten aanzien van het verweer dat overheidsinformatie vermeldt dat het Wzd stappenplan niet doorlopen hoeft te worden, deze informatie strijdig lijkt (of blijkt) met hetgeen in de memorie van toelichting bij de tijdelijke wet COVID is geschreven.

Door de instelling is om diverse redenen geen aanleiding gezien om het besluit tot het toepassen (doorzetten) van de huisregel jegens cliënte langs een Wzd-meetlat te leggen, waarbij de ervaren medewerking van de cliënte een grote rol speelde en om die reden geen wilsbekwaamheidsbeoordeling gedaan is die in het dossier werd vastgelegd. Het is voor de commissie niet mogelijk om de wilsbekwaamheid achteraf nog vast te (laten) stellen en na te gaan of de Wzd als uiterste middel ingezet had moeten of kunnen worden of dat zorgaanbieder terecht uitging van vrijwillige medewerking van moeder.

De commissie oordeelt dat vanwege de herhaaldelijk geuite bezwaren van dochters tegen de toepassing van de huisregel én vanwege de ingrijpendheid van een vooruitzicht om tien dagen de eigen kamer niet te mogen verlaten (bij een cliënte die toch al regelmatig aangeeft dat zij gevangen zit en weg wil), de zorgaanbieder (minimaal) had na kunnen gaan of de procedures van de Wzd doorlopen hadden moeten worden. Dan was er gehandeld conform de in de memorie van toelichting genoemde mogelijkheid van het inzetten van de Wzd als uiterste middel om naleving van belangrijke coronamaatregelen binnen een zorginstelling af te dwingen. De commissie geeft hierbij aan dat het om een mogelijkheid gaat en niet een verplichting. 

Tenslotte overweegt de commissie dat in de memorie van toelichting ten aanzien van de rechtsbescherming is vermeld dat als een cliënt of diens vertegenwoordiger het met een algemene maatregel in verband met (bestrijding/preventie van) corona niet eens is, gebruik kan maken van de mogelijkheden die de Wkkgz biedt. De commissie geeft aan dat niet is gebleken dat dochters hebben overwogen om die route te volgen voor de regel naast zich neer te leggen, maar dat de zorgaanbieder tegelijkertijd ook niet de klaagsters op de mogelijkheid van het indienen van een klacht op grond van de Wkkgz. Ook dit is een verbeterpunt voor de zorgaanbieder, geeft de commissie aan, omdat hiermee een kans op een voor alle partijen werkbare oplossing gemist is. 

De commissie oordeelt dat zij niet bevoegd is om de klacht te behandelen.

De cliëntenraad 

De cliëntenraad heeft verschillende rechten omtrent bezoekersregelingen. Juist uitzonderlijke situaties vereisen namelijk een zorgvuldig en gedragen besluit. Wanneer coronamaatregelen gevolgen hebben voor mensen die zorg krijgen, kunnen verschillende advies- en instemmingsrechten aan de orde zijn. Zoals:

  • Instemmingsrecht
    • met betrekking tot voor cliënten geldende regelingen. Hieronder valt (het aanscherpen van) de bezoekregeling en de manier waarop bewoners of opgenomen cliënten gevaccineerd gaan worden;
    • met betrekking tot het algemene beleid op het gebied van de veiligheid;
  • Bovenwettelijk (verzwaard) advies- of instemmingsrecht over het beleid op het gebied van de gezondheid.

Als het gaat om onderstaande verbeterpunt dat de KCOZ in haar uitspraak benoemt* kan de cliëntenraad bijvoorbeeld het gesprek aangaan over hoe de zorgorganisatie ermee omgaat als een individuele bewoner of familielid zich verzet tegen een maatregel. Zie ook de bijlage over de rol van de cliëntenraad in de handreiking ‘Bezoek en sociaal contact – corona in verpleeghuizen’.

* “(..) geeft de Handreiking bezoek en sociaal contact van de diverse VVT brancheorganisaties een aantal adviezen (p. 6) om te komen tot maatwerk per bewoner. Zo zou in dergelijk geval de individuele behoefte geïnventariseerd en in het zorgplan vastgelegd dienen te worden en gezocht moeten worden naar creatieve oplossingen en mogelijkheden om maatwerk te bieden. Indien het niet mogelijk blijkt aan de behoefte te voldoen zou een ethische commissie of moreel beraad zich er over kunnen buigen, aldus deze Handreiking. Het is de commissie niet gebleken dat dergelijke stappen zijn gezet naar aanleiding van de e-mails en telefoongesprekken die gevoerd zijn m.b.t. het verzet van de familie tegen betreffende huisregel.

Download artikel als PDF

Praat mee!

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deelnemers

Alle deelnemers

Nieuwsbrief

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.